Westpunt – Een globale inkijk

(Geschreven rond 1995)

In de Noordwestelijke punt van Curaçao, ligt het dorp Westpunt aan de voet van de heuvels van Bándabou. Voor buitenlandse bezoekers en veel Curaçaoënaars is dit vooral een strand- en recreatiegebied. Maar achter die façade gaat een authentieke, landelijke nederzetting schuil.

Amper vijftig jaar geleden was Westpunt een sluimerende vissersplaats zonder telefoon, waterleiding of stroom. De bevolking leefde vooral van de visvangst, de landbouw op kleine schaal en de geiten- en schapenteelt. Van openbaar vervoer van en naar de stad was nog geen sprake. De dagelijkse communicatie met de rest van het eiland beperkte zich vooral tot de nabijgelegen plaatsen die bij de parochie van Westpunt horen, zoals Papaya, Kenepa, Lagun, Santa Cruz en Sabaneta.

Volgens de kronieken van de kerk bestond de overwegend katholieke bevolking gedurende veel generaties uit ongeveer 200 gezinnen. Dit kleine aantal, gecombineerd met de isolatie van het dorp, droeg bij tot een unieke levenswijze waar de oudere generatie graag op terugkijkt. Afgezien van incidentele roddels en familieruzies, herinnert de oude garde zich vooral de vanzelfsprekende saamhorigheid, de wijze waarop lief en leed werden gedeeld en de inventiviteit om zonder moderne hulpmiddelen aan de dagelijkse verplichtingen te voldoen. Ze zijn daar trots op en kunnen er met verve over vertellen. Wie mee wil luisteren, vindt hieronder hun verhaal.

Panorama Westpunt. Kerktoren kerk van Westpunt. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

De meeste mensen van Westpunt stammen af van Afrikaanse slaven. De grote etnische verscheidenheid die sinds de komst van de SHELL kenmerkend is voor Curaçao, drong nauwelijks tot Westpunt door. Wel hebben veel bewoners Bonairiaanse voorouders, die in de eerste helft van de twintigste eeuw via de scheepvaart of visserij op Westpunt verzeild raakten. Bonaire is nog kleiner dan Curaçao. De paar duizend inwoners die daar woonden, vormden nauwelijks een afzetmarkt voor de plaatselijke visserij. Zo ontstond een visroute tussen de twee eilanden en werd de vis in Westpunt gelost. De jonge Bonairianen die aan wal kwamen vonden er vaak een geliefde en besloten hier te trouwen. Ook jonge Bonairiaanse zeelui op de vrachtschepen uit Latijns-Amerika voelden zich thuis op Westpunt, waar zowel de sfeer als de taal vertrouwd waren.

Het Afro-Portugese Papiamentu is de moedertaal van de bevolkingen van Curaçao, Bonaire en Aruba. Zij ontstond aan het einde van de zestiende eeuw in Portugese slavenkampen in West-Afrika, als een lingua franca tussen de Europese mensenhandelaren en West-Afrikanen die daar als slaaf verhandeld werden. Nadat de Nederlanders Curaçao in 1634 veroverden, is die lingua franca tijdens de slavenhandel mét de slaven op deze eilanden terechtgekomen. Hier ontwikkelde het Papiamentu zich verder tot de meest gesproken taal in alle lagen van de bevolking. Ook op Westpunt worden de kinderen in het Papiamentu grootgebracht.

Ondanks de landelijke samenleving en plaatselijke taal is de bevolking van Westpunt redelijk vertrouwd met andere eilandgenoten en buitenlanders. Volgens de oudere generatie werd hun dorp al in de eerste decennia van deze (20ste) eeuw als recreatieoord ontdekt. Eerst kwamen vooral hoge Nederlandse functionarissen van de SHELL raffinaderij. Later volgden Nederlanders uit andere sectoren en Portugese arbeiders die zich in de hausseperiode van de raffinaderij op Curaçao hadden gevestigd. En tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen ook Amerikaanse soldaten die tijdelijk op het eiland verbleven.

In de vijftiger jaren, toen meer mensen zich een auto konden permitteren, vond de doorsnee Curaçaoënaar ook de weg naar Westpunt voor een dag aan zee. In die tijd verschenen de eerste weekendhuizen rondom de kerk van San Pedro. Toch was een bezoek aan Westpunt toen nog een hele onderneming. De smalle, niet verharde wegen van Bándabou waren vooral in de regentijd moeilijk begaanbaar. Maar naarmate de wegen beter werden en er meer auto’s op het eiland kwamen, raakten het dorp en zijn strand meer in trek. Het aantal weekendhuizen is inmiddels fors gestegen, toeristenbussen rijden af en aan en ook de individuele toerist vindt zijn weg naar Westpunt met een wegenkaart in de hand. Zolang dit het dagelijkse leven niet verstoort, zijn ze wat de bewoners betreft allemaal van harte welkom.

Playa Piskadó, Westpunt. 1950-1965, Collectie van Leeuwen. © Nationaal Archief Curaçao

Hoewel de meeste families op Westpunt niet meer alleen van de visvangst leven, blijft dit nog steeds heel belangrijk voor de mensen. Oude vissers weten uit ervaring welke vissoorten in welke tijd van het jaar te vangen zijn en stemmen hun methoden daarop af. Diepwatervissen bijvoorbeeld, zoals ‘dradu’ en ‘mulá’, worden vooral met de sleeplijn gevist. Ze zijn zeer geliefd in de Curaçaose keuken. Voor de sleepvisserij op open zee worden middelgrote boten gebruikt. Dit aparte model, 7 bij 10 meter lang met cabine en binnenboord dieselmotor, is zeer zeewaardig en komt praktisch alleen voor op Curaçao en Bonaire. De meeste vissers hebben echter kleine open boten met motoren tot 25 pk. Deze worden o.a. gebruikt bij het slepen onder de kustlijn en bij de vangst van bodemvissen op een diepte van 50 tot 150 meter. Wie de bescheiden boten in de kleine baai bij Westpunt ziet liggen, begrijpt dat het vissersleven niet helemaal zonder gevaar kan zijn.

Een zeer traditionele methode is het gebruik van de ‘reda’. Dit is een net van zo’n 5 bij 50 meter dat uitsluitend in ondiep water vlak bij de kust wordt gebruikt voor de vangst van kleinere vissoorten zoals ‘masbangu’, ‘moulo’ en in mindere mate ‘boka largu’. Tegenwoordig worden deze netten machinaal gemaakt, uit het buitenland geïmporteerd, en per meter verhandeld. Dat was in onze tijd wel anders, zeggen de vissers. Ze kunnen zich goed herinneren hoe ze de netten in hun jeugd zelf met de hand knoopten onder het toeziend oog van hun ouders. Zodra men vanaf de kust een school vissen signaleert, gaat de ‘reda’ te water. Bezoekers vinden het heerlijk om te kijken naar het subtiele samenspel van de mannen die de vis vanuit drie smalle ‘kanoa’s’ met het net omsingelen. Tegenwoordig blijft het net met de vangst tot de volgende morgen in het water liggen. Nog vóór het ochtendgloren wordt de vis eruit gehaald en door visverkoopsters naar de markt in de stad gebracht. Door de goede verbindingswegen komt de vis daar een uurtje later vers aan.

Westpuntbaai met visnetten op het strand, mensen lopen door het water. 1910-1960 © Nationaal Archief Curaçao

Hoe anders was dat een halve eeuw geleden, toen de mensen zonder elektriciteit en snelle vervoersmiddelen leefden. Nog voordat de ‘reda’ aan land werd getrokken, werden kinderen de knoek ingestuurd om hout en takken te halen. Van jongs af aan leerden ze bundels te maken en die op het hoofd naar huis te dragen. Op het erf stookte men een flink vuur om de vis erop te bakken. Eenmaal gebakken bleef de vis lang goed. Met stukjes riet maakten de mensen daarna pakjes van vijf, die voor vijf cent op de markt in de stad werden verkocht. De vracht werd onder enkele mensen verdeeld die dat op de gebruikelijke wijze op het hoofd meedroegen. De reis werd te voet afgelegd en duurde bijna een hele dag. Soms werden ezels bepakt en beladen om de last voor de mensen te verlichten. Ze vertrokken ‘s middags vroeg om tegen de avond vlak bij de stad te overnachten. Voor dag en dauw vervolgden ze de weg om vroeg op de markt aan te komen.

Niet alle vis werd ter conservering op het vuur bereid. Een deel werd door de inventieve vissersvrouwen met flink veel zout ingewreven en op de ‘datu’ te drogen gelegd. De ‘datu’, die vaak als heg rondom het erf wordt geplant, is één van de bekendste leden van de stekelige cactusfamilie. Door de hoogte van de plant en haar venijnige stekels blijft de vis uit de greep van katten en ongedierte. Eenmaal zout en kurkdroog, blijft de vis lang goed. Vóór de bereiding wordt die grondig in water geweekt om het overtollige zout eruit te spoelen. Dit proces werd ook toegepast om geitenvlees te conserveren. Dat is nog steeds een belangrijke vleessoort in de lokale keuken. Rijk waren ze niet, de mensen van Westpunt. Maar ze brachten hun ervaringen en wijsheden van de ene generatie op de andere over.

Weg naar Westpunt ter hoogte van Landhuis Savonet. 1954-1956 Collectie M. Steenhuisen © Nationaal Archief Curaçao

Geen enkele bewoner van Westpunt ontkent dat de moderne tijd veel comfort met zich mee heeft gebracht. Toch is niet iedereen gelukkig met de ontwikkelingen van de laatste tijd. Amper dertig jaar geleden konden bijna alle families in hun eigen levensonderhoud voorzien. Maar na de komst van de SHELL op Curaçao, zochten veel visserskinderen een toekomst bij de industrie of in de sterk opgekomen bouwsector. Niet alleen hadden ze liever een vast loon dan de onzekere inkomsten uit de visvangst, maar de laatste bleek jammer genoeg niet meer wat het geweest was. De vissers van het dorp kijken peinzend voor zich uit bij de vraag wat de visserij nadelig heeft beïnvloed. Voorzichtig formuleren ze hun gedachten om niet onnodig afbreuk te doen aan de moderne ontwikkelingen in het dorp.

Voordat de weekendhuizen als paddenstoelen uit de grond rezen, konden ze ongestoord over de rotsen lopen om uit te kijken naar scholen vis. Helaas werd daar bij de bouw van weekendhuizen geen rekening mee gehouden, zodat de kuststrook nu grotendeels geblokkeerd is. Ook de plezierboten, die vooral in het weekend langs de kust scheren, zijn een doorn in het oog van de vissers die hun grote netten in ondiep water neerlaten. Veel van hen zijn er ook van overtuigd dat het massale gebruik van zonnebrandcrèmes de visstand vlak bij de kust nadelig beïnvloedt. Dat, terwijl die toch al achteruit is gegaan als gevolg van de geavanceerde technieken waarmee men de vis net buiten de territoriale wateren van Curaçao weet te vangen.

Ook de landbouw en de geiten- en schapenteelt is de laatste decennia achteruitgegaan. Eén generatie eerder werden die nog door het hele gezin bedreven. Maar de jongere generatie vond het zware werk in de knoek steeds minder aantrekkelijk, ook gezien het onzekere bestaan dat eraan verbonden was. De ouderen zeggen ook dat het tegenwoordig minder regent dan toen ze jong waren. En ze wijzen op een duidelijke verandering in het leefpatroon van hun dorp. Een verandering die met name werd versneld door de bouw van een nieuwe volkswoningwijk bij ‘Ruiterpost’ achter het kerkhof. De bewoners van Westpunt konden zich ook bij de overheid aanmelden om voor zo’n huisje in aanmerking te komen. Maar gewend als ze waren aan het scheppen van hun eigen woonomgeving hebben weinigen dat gedaan. Zo werd de wijk een verzamelplaats van mensen uit verschillende Curaçaose buurten met hun eigen ‘stadsgewoonten’. Langzaam maar zeker verwaterde vooral de traditie van zelfredzaamheid waar de dorpsbewoners om bekendstonden. Veel jonge mensen gaven de voorkeur aan een vaste baan. Zonder de hulp van deze jonge krachten gingen de hofjes steeds verder achteruit. Diegenen die dapper doorzetten werden ontmoedigd door de toenemende diefstal van de oogst. Voor de dorpsbewoners was diefstal een nieuw fenomeen, dat ze in bedekte termen toeschreven aan de vaak werkeloze nieuwkomers.

Landschap met struiken, bomen, cactus, bok en wind molen op de achtergrond. © Nationaal Archief Curaçao

Als de zon om 6 uur boven de heuvels opkwam, vertrokken de planters van Westpunt al naar de knoek. Sommigen werkten voor een baas op particuliere plantages die na de afschaffing van de slavernij door andere eigenaren werden geëxploiteerd. Daarnaast verbouwden veel mensen een lapje huurgrond of een eigen stukje knoek vlak bij huis. Door het droge klimaat zijn deze hofjes altijd vrij marginaal gebleven. Maar de oogst droeg flink bij aan het levensonderhoud van de kleine landbouwers en hun gezinnen. De meest verbouwde gewassen waren maïs (sorghum), pinda, zoete aardappel, watermeloen, pompoen en verschillende bonensoorten. Het overschot werd naar de stad vervoerd waar het door vaste verkoopsters op de markt werd verkocht. Net als de vis, werden ook de landbouwproducten tot vijftig jaar geleden te voet naar de stad gebracht. Op de terugweg nam men producten en levensmiddelen mee die op Westpunt niet of moeilijk te krijgen waren.

Naast hun eigen hofje hadden veel bewoners minstens een tiental geiten en schapen. Niet alleen was de melk belangrijk voor de kleine veehouders, maar ook het vlees werd van oudsher op verrukkelijke wijze bereid. Op enkele grotere plantages werd het vee in omheinde koralen gehouden, maar de kleine veehouder stuurde de dieren elke ochtend de ‘mondi’ in om zelf aan eten te komen. Om misverstanden te voorkomen werden alle dieren met een hete mal aan het oor gemerkt. Iedere eigenaar had een eigen merkteken, dat zorgvuldig geregistreerd werd bij een overheidskantoor te Dokterstuin, een kilometer of 12 ten oosten van Westpunt. Als de kinderen in de namiddag van school kwamen, werden ze op pad gestuurd om de dieren naar huis te jagen. Eenmaal binnen, werden de lammetjes apart opgesloten zodat ze ’s nachts niet van de moeder konden drinken. Voor dag en dauw werden de dieren gemolken en werd de melk in grote kannen buiten de koraal gezet. De melk was bestemd voor het St. Elisabeth Hospitaal in de stad en werd opgehaald door één van de eerste automobielen die het dorp aandeed.

Vaak liet men de geiten ook de woonwijken ingaan waar ze een deel van de vegetatie opvraten. Daarom bouwde iedereen een omheining rond het erf. Hoewel geiten en schapen inmiddels uit het straatbeeld verdwenen zijn, is er bijna geen huis op Curaçao te vinden zonder een flinke omheining. De geiten hadden ook de vervelende gewoonte om traag de weg over te steken en uiterst sloom te reageren als er een auto aankwam. Toch kwamen de meeste dieren vroeger heelhuids terug naar de koraal. In de eerste plaats was er toen niet veel verkeer in het dorp. En door de grote sociale controle binnen de kleine gemeenschap kwam men niet aan andermans geiten. Tegenwoordig zijn er niet veel kleine, individuele geiten- en schapenhouders meer in Westpunt. Van overheidswege heeft men een nieuw geitenras ingevoerd om het lokale geitentype te verbeteren. Door de verhoging van het slachtgewicht hoopt men deze vorm van veeteelt – wellicht in georganiseerd verband – te stimuleren. Want het vlees van deze dieren is en blijft zeer geliefd in de Curaçaose keuken.

Watertap voor leidingwater. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

In de jaren zestig werden Westpunt en andere delen van Bándabou eindelijk aangesloten op het elektriciteitsnet en de waterleiding. Daarvóór gebruikte men kerosinelampen en haalden de mensen water bij putten en dammen die in de regentijd volliepen. Wie leidingwater wilde drinken, kon terecht bij enkele publieke kranen die de overheid in het dorp had geplaatst. Of men kocht drinkwater bij verkopers die op een ezelskar door het dorp trokken met een grote houten watervat. Sommige mensen hadden ook een regenbak aan huis, wat hen veel heen- en weer geloop bespaarde. Gemakkelijk was het huishouden niet, vóór de jaren zestig. Toch kunnen de vrouwen van Westpunt er levendig over vertellen.

Van jongs af aan leerden ze met grote kannen of blikken met water op het hoofd te zeulen. De kan kwam nooit direct op het blote hoofd terecht, maar op een doek dat strak tot een band werd opgerold. Op wasdagen stonden de vrouwen ’s morgens vroeg op en droegen de vuile was in een teil op het hoofd naar het strand. Ze wasten de kleren met het zeewater, spreidden het wasgoed uit over gladde stenen en sloegen het vuil eruit met een speciale platte stok. Vervolgens droegen ze de zware natte was naar de put om het zoute water eruit te spoelen. Soms ging het daar uitbundig aan toe, vertellen de dames. Ze wisselden de laatste nieuwtjes uit voordat ze de weg naar huis vervolgden om de was in de cactushaag op te hangen.

Voor het strijken gebruikten ze een gietijzeren strijkbout die ze eerst op gloeiende houtskolen werd verhit. Daarvoor haalden de kinderen droge takken uit de knoek die ze in een komfoor buiten de deur verbrandden. Het verhitten van de strijkbout werd verschillende malen herhaald. Om zwarte vlekken op het strijkgoed te voorkomen gingen ze eerst met het strijkijzer over een witte doek totdat alle sporen van de houtskool verdwenen waren. Al met al was het vooral op warme dagen een zware klus. Toch vertellen de vrouwen van Westpunt met plezier over ‘de goeie ouwe tijd’. Vooral het gevoel van saamhorigheid en de onderlinge hulpvaardigheid die bij die periode schijnen te horen, hadden ze voor geen goud willen missen.

Landschap met cactussen en kas di Yerba. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

Wat viel er zoal te beleven in een kleine gemeenschap als Westpunt voordat de radio, televisie, telefoon en automobiel hun intrede hadden gedaan? Door hedendaagse bril gezien, niet veel. Maar de bevolking liet geen enkele gelegenheid voorbijgaan om het nuttige met het aangename te combineren. Zo ging het binnenhalen van de maïsoogst ieder jaar gepaard met muziek, dans en zang. Hoewel de akkerbouw nu op minder grote schaal wordt bedreven is dit oogstfeest, ‘seú’, tot de dag van vandaag in ere gehouden. Met manden vol maïskolven dansen de mensen in optocht naar de ‘mangasina’ (schuur) waar de oogst wordt opgeslagen. Er wordt muziek gemaakt met inheemse, zelfgemaakte instrumenten zoals de ‘tambú’, ‘agan’ en de ‘kachu’.

De tambú bestaat uit een vrij kleine ton waarover een schapenhuid is gespannen. Deze trom wordt met de vingers en de handpalmen bespeeld en vormt de basis voor het ritme van de cultuureigen tambú muziek. De ‘agan’ is de afgebroken schaar van een ploeg die bijna tot een cilinder is omgebogen. De bespeler begeleidt en ondersteunt de andere instrumenten door met een ijzeren staaf ritmisch op zijn ‘agan’ te slaan. Vroeger gaf de bespeler ook het ritme aan wanneer mensen samen zwaar werk verrichtten. Heel belangrijk bij het oogstfeest is de ‘kachu’: een blaasinstrument gemaakt van de koehoorn. Behalve een mondgat wordt in de hoorn ook een vingergat geboord om de toonhoogte te bepalen.

Ook gedurende de rest van het jaar was er aan feestjes geen gebrek. Hoewel men elkaar bijna dagelijks tegenkwam, was de sfeer op verjaardagen, communiefeesten of bruiloften vrij formeel. Het huis werd voor de gelegenheid keurig in orde gemaakt en de genodigden gingen stijlvol gekleed. Vooral op verjaardagen bestelde men een kah’i òrgel (draaiorgel) die salondansen ten gehore bracht zoals de Curaçaose wals en mazurka. Terwijl de jongeren zich op de dansvloer amuseerden, zaten de moeders op rechte stoelen in een rij langs de muur om vooral hun dochters in de gaten te houden en waar nodig in te grijpen. Jonge mannen die zich niet als heer gedroegen, werden onmiddellijk tot de orde geroepen. Ook hadden de moeders reserve kleren bij zich zodat de jongelui zich konden omkleden als ze bezweet van de dansvloer afkwamen.

Meisjes die hun Eerste Heilige Communie vieren in de kerk van Westpunt. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

Zowel de geboorte van een kind als ziekte en dood, gingen gepaard met nauwkeurig nageleefde rituelen. In andere delen van het eiland werden volkswijsheden op dat gebied al in de eerste helft van deze (20ste) eeuw stapsgewijs vervangen door medische zorg. Op Westpunt zijn die tradities en rituelen door de beperkte verbindingen met de stad veel langer in ere gehouden. Onder de onbetwiste leiding van de vroedvrouw werden generaties Westpuntenaren thuis geboren. Pasgeboren baby’s werden na het wassen zorgvuldig op lichamelijke afwijkingen onderzocht. Een zichtbaar adertje op de neus van de baby bijvoorbeeld, betekende een ‘kaha di morto’ (doodskist), een teken dat het kind vast en zeker zou sterven als het niet beschermd werd door een amulet. Deze amulet heeft de vorm van een ‘yabi di kaha di morto’ (sleutel van de doodskist) om het onheil af te weren. Ter bescherming tegen Het Boze Oog werd de kruin van het kind met wat blauwsel ingewreven. Tot acht dagen na de geboorte werd bij de baby gewaakt om die te behoeden voor de gemene ‘Zè’. Deze onzichtbare gedaante, die in de stad ‘Èzè’ werd genoemd, had naar verluid de nare gewoonte om kleine baby’s mee te nemen.

Tegenwoordig geven de meeste ouders zelf de geboorte van hun kinderen op bij het Bureau Burgerlijke Stand in de stad. Toen de wegen nog slecht begaanbaar waren, wachtte men daarmee totdat meer kinderen in het dorp geboren werden. Vervolgens werden alle gegevens door één persoon bezorgd bij het dichterbij gelegen gouvernementskantoor in Dokterstuin. Helaas kwam het geregeld voor dat de boodschap niet duidelijk was overgekomen of dat gegevens verwisseld werden. Daardoor staan veel broers en zussen nu nog met verschillende achternamen bij het bevolkingskantoor ingeschreven.

Zowel zuigelingen als kinderen kregen geregeld een afkooksel te drinken van het blad van de koortswerende ‘welensali’. Net als tientallen andere geneeskrachtige kruiden die over het hele eiland in het wild groeien, is deze aromatische plant een geliefd huismiddel. Heel veel lichte en minder lichte kwaaltjes werden in de loop van de tijd met dit soort natuurlijke medicamenten bestreden. Zelfs nadat het Sint Elisabeth Hospitaal in de stad gebouwd werd, verzorgde men ernstig zieke familieleden toch liever thuis. Dat lag niet alleen aan vervoersperikelen maar ook aan de weerstand die de mensen voelden om hun eigen manieren van verzorging los te laten. Het duurde tientallen jaren voordat de doctoren het vertrouwen van de plattelandsbevolking gewonnen hadden, ook omdat de meeste van hen, zeker in die periode, nauwelijks Papiaments verstonden.

Vooral in moeilijke momenten van het leven legden de mensen een groot gevoel van verbondenheid aan de dag. Dag en nacht waakten buren en familieleden bij de stervende. Als tijdverdrijf werden buiten op het erf verhalen verteld die van generatie op generatie werden overgebracht. Wanneer de dood eenmaal was ingetreden, werd het lijk na enige voorzorgsmaatregelen afgelegd. Zo werden de neusgaten en oren van de overledene met kalk of katoen gestopt om het vrijkomen van kwalijke gassen tijdens het reinigen tegen te gaan. Ten overvloede vulde de aflegger zijn eigen neusgaten en oren met gestampte knoflook om zich tegen de doodslucht te beschermen.

Ongeacht de tijd waarop de dood intrad, werd het sterfbericht in het dorp aangekondigd door het blazen op een koehoorn. Vrienden, bekenden en andere dorpsgenoten begaven zich dan prompt naar het huis van de overledene om de familie te condoleren. Vanuit het huis van de overledene ging de stoet naar de kerk en van daaruit naar het kerkhof waar de doden meestal in bovengrondse grafkelders begraven werden. Inmiddels wordt de behandeling van ernstig zieke mensen grotendeels overgelaten aan artsen en verplegers van het hospitaal in de stad. En verschillende rituelen rondom de dood zijn vervangen door de postmortale zorg van moderne begrafenisondernemingen.

Feestelijkheden bij de kerk te Westpunt. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

De katholieke kerk in Westpunt is heel toepasselijk genoemd naar de Heilige Petrus, patroonheilige van de vissers. Van oudsher speelde deze kerk een centrale rol in het leven van de katholieke bevolking. In de tijd dat er nog geen radio, televisie of telefoon in Westpunt was, diende de kerk als informatiekanaal tussen het dorp en de stad. Na de Mis las de pastoor mededelingen van de overheid voor, en hoorden de mensen bijvoorbeeld welke vrachtschepen de haven zouden binnenvaren en welke goederen weer in de stad verkrijgbaar waren. Ook onderling wisselden de mensen nieuwtjes uit voor de poorten van de Kerk. Religieuze feesten zoals Kerstmis en Pasen, of de viering van de eerste Heilige Communie, waren hoogtepunten in het sociale leven in Westpunt. Alleen al de voorbereidingen bij de gemeenschappelijke communiefeesten namen verschillende weken in beslag.

De schoenmaker van het dorp – die zelfs door de gouverneur in de stad geprezen werd als de beste schoenmaker van het eiland – kon al het werk voor de feestdagen niet in zijn eentje aan. Zodoende liet men in de stad schoenen maken aan de hand van stukjes karton die op maat van de kindervoeten gesneden waren. Ook het kant en de stof voor beeldige communiejurkjes en pakjes werden in de stad gehaald. Het hele dorp liep uit om de stoet kinderen bij de kerk op te wachten. Heel belangrijk was ook de ‘batrei’, een bruidstaart met verschillende verdiepingen die tot op heden op geen enkele bruiloft of communiefeest mag ontbreken. Deze taarten werden door ervaren vrouwen van Westpunt en omringende plaatsen gemaakt, en voor communiefeesten met kleine vlaggetjes versierd. Op de dag vóór het feest, wanneer de taarten door de klanten werden opgehaald en op het hoofd naar huis gedragen, stond men bewonderend langs de kant van de weg onder geroep van ‘batrei ta pasa … batrei ta pasa…’ (daar komt de bruidstaart).

Ook 29 juni, de dag van de Heilige Petrus, patroonheilige van de vissers, is in Westpunt een belangrijke feestdag. Van oudsher bestond er grote belangstelling voor het feest van de patroonheilige, zowel bij de parochianen als bij mensen buiten het dorp. Om deelname te stimuleren werd de ceremonie georganiseerd in het weekeinde vóór of na de 29ste. Aan het einde van de plechtige Heilige Mis, die vaak door de Bisschop werd opgedragen, toog men in processie naar het beeld van St. Petrus nabij de rand van de rotsige kust. Na de zegening goot een van de vissers het restant van het wijwater uit over de zee, terwijl de aanwezigen God aanriepen voor hun veiligheid en een visrijke zee. Na afloop mengden de bezoekers zich onder de dorpsbewoners en konden ze genieten van een kop sterke vissoep of gestoofd geitenvlees.

De manier waarop de zegening plaatsvindt, is in de loop der jaren veranderd. Sinds enige tijd gaat de pastoor met de vissers de zee op in een met kleurige vlaggen versierde boot. Wanneer de andere vissersboten zich rondom dat vaartuig scharen, spreekt de pastoor de zegen uit.

Westpunt Feestelijkheden. Menigte staat op terrein voor de kerk. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

Over het hele eiland heeft de katholieke kerk scholen gebouwd waar nonnen en fraters gratis lesgaven. Op Westpunt werd naast de kerk een lagere school gebouwd waar de kinderen in het begin door nonnen werden onderwezen. Langzaamaan werden de religieuzen vervangen door lokale onderwijzers die daarvoor in de stad zijn opgeleid. Ook uit omliggende plaatsen kwamen de kinderen naar school gelopen met hun schoeisel in de hand, om de zolen niet onnodig te laten slijten. De meesten droegen ‘alpargata’ die uit een stevige platte zool bestaat met een bovenwerk van grove stof. Kinderen uit arme gezinnen droegen de zogenoemde ‘zambarku’, gemaakt van een stukje autoband die door reepjes stof aan de voet werd vastgezet.

Vooral in afgelegen dorpen die weinig in aanraking kwamen met de overheid, had de kerk een grote invloed op het leven van de mensen. In Westpunt was dat zeker het geval. Onechtelijke kinderen bijvoorbeeld kwamen niet in aanmerking om verder te leren, zelfs al waren ze nog zo slim. Wettelijk erkende kinderen die goed konden leren, werden door de religieuzen grondig voorbereid op het voortgezet onderwijs in de stad. Daar werden zij opgevangen in internaten die met strakke hand door fraters en nonnen werden geleid. Aanhoudend slecht gedrag of een levenswijze die de kerk onethisch vond, kon zelfs tot na de dood pijnlijke gevolgen hebben. Zo werden alcoholisten of ongetrouwde moeders een laatste rustplaats in geweide aarde geweigerd. Tot verdriet en schande van de familie werden zij in een apart stukje grond begraven, dat weinig vleiend ‘chiké’ (varkensstal) werd genoemd.

Ook op cultureel gebied wilde het niet altijd klikken tussen de bevolking en zijn pastoor. Vooral de volkseigen dans ‘tambú’ stuitte op veel verzet van de kerk. Om redenen die nooit verklaard werden, vond de kerk dit een duivelse dans. Tambú wordt met name rond de jaarwisseling gedanst. Voordat de slavernij werd afgeschaft had die muziek een tragische ondertoon. Ze diende ter begeleiding van klaagliederen die tot diep in de nacht gezongen werden. De mensen gingen er helemaal in op en dansten ieder voor zich met de armen slap langs het lichaam. Ze maakten korte, schokkende bewegingen, alsof ze hun zielenpijn van zich af wilden schudden.

Tambú werd ook na de afschaffing van de slavernij lange tijd door de kerk en overheid verboden. Niet dat dit verbod ooit echt effect heeft gehad. Aangezien men in het afgelegen Westpunt weinig te vrezen had van de overheid, hoefden de mensen er alleen nog voor te zorgen dat ze buiten gehoorsafstand van de pastoor bleven. Daarom werden de feesten meestal in omliggende nederzettingen georganiseerd. Het clandestiene karakter van tambú behoort inmiddels tot het verleden. Oude Westpuntenaren vertellen hooguit meewarig over de tijd dat de pastoor te paard en met de zweep in de hand op hun feesten in reed. En ze noemen in één adem de historische, vaak oprechte betrokkenheid van veel religieuzen bij het wel en wee van de bevolking.

Westpunt feestelijkheden met twee priesters op de achtergrond bij de pastorie. Veel aanwezigen op het versierde erf. Collectie F. Fischer © Nationaal Archief Curaçao

Er is dus veel veranderd in de afgelopen jaren. In korte tijd raakten de mensen vertrouwd met moderne communicatiemiddelen die hun leven ingrijpend beïnvloedde. In de tijd dat men nog te voet naar de stad ging, beschouwde men het paard van de pastoor als een comfortabel vervoermiddel. Behalve de pastoor had slechts één vooraanstaande familie in het dorp een paard. Dit dier, dat Ruiter werd genoemd, heeft zoveel indruk gemaakt dat zelfs het terrein waarop het vroeger graasde sindsdien Ruiterpost heet. Het is dus niet verwonderlijk dat de eerste auto in het dorp eerst wat sceptisch werd onthaald. De vooruitstrevende eigenaar van Ruiter bekeek het gevaarte met grote belangstelling. Dat de auto helemaal uit de stad was komen rijden vond hij een hele prestatie. Maar zelf zou hij zo’n auto pas aanschaffen nadat hij met eigen ogen had gezien dat het voertuig ook tegen de wind in naar de stad terug kon rijden.

Door de nieuwe transportmiddelen werden de kansen in het dorp aanzienlijk verruimd. Jonge mannen werden ’s morgens vroeg door een bus van de Shell opgehaald en naar hun werk in de raffinaderij gebracht. Kinderen die na de lagere school verder konden leren hoefden niet meer naar een internaat in de stad. Elke dag werden zij vroeg opgehaald door een geïmproviseerde schoolbus. Die bestond uit het onderstel van een vrachtwagen, voorzien van een houten overkapping. Na de kinderen in de stad te hebben afgezet reed de bus terug naar Westpunt om ook de volwassenen naar de stad te kunnen brengen. De rit duurde doorgaans anderhalf uur. De chauffeur reed eerst alle omliggende plaatsen langs om belangstellenden op te pikken en om ergens een drankje te halen. Daarna slingerde hij gemoedelijk verder op de toen nog rustige weg.

De komst van de telefoon heeft de gewoonten van de mensen ook beïnvloed. Hoewel dit toestel al in 1911 op Curaçao werd ingevoerd, duurde het een poosje voordat de telefoonkabels naar Westpunt werden doorgetrokken. Niet dat de bewoners daar erg over in zaten. Nog steeds vertellen ouderen trots over de inventieve manier waarom men met elkaar vanuit de verte communiceerde. Als er slecht weer op komst was, blies men op een grote ‘karkó’ (kinkhoorn), oftewel een grote schelp met brede lip en een glanzend roze binnenzijde die bij gelegenheden als blaasinstrument werd gebruikt. Het loeiende geluid dat de schelp voortbracht, was voor de vissers het teken om hun boten hoog op land te trekken. Ook de ‘kachu’ (koehoorn) werd als blaasinstrument gebruikt. Behalve bij oogstfeesten blies men erop om sterfgevallen aan te kondigen. In de tijd dat de stilte nog niet verstoord werd door het lawaai uit technische installaties, zond de hoornblazer vanaf een heuveltop zijn doodsbericht uit.

Ook Radio en televisie hadden impact op het leven van de mensen. Eilandelijk én buitenlands nieuws worden dagelijks gevolgd. Geleidelijk aan raakte men meer vertrouwd met het fenomeen toerisme. Ook met het Hotel-Resort Kadushi Cliffs dat op de rotsen van Playa Kalki bij Westpunt is gebouwd. Oudere Westpuntenaren zeggen met zoveel woorden: De tijd dat we alleen van vissen en geiten leefden is voorbij. Westpunt, en heel Bándabou, heeft meer te bieden dan dat. Inderdaad is de natuur nergens zo ongerept als daar. De vegetatie ziet er in de droge maanden bleek en stoffig uit, maar begint bij de eerste regendruppels al op te leven. Alleen de cactussen hebben weinig last van de droogte. Deze overheersende plantenfamilie past zich aan de situatie aan door het water in de regentijd in zijn vlezige stengels op te slaan. Van de vele cactussoorten valt de grote ‘Kadushi’ het meest op. Wanneer andere planten hun kruin van de dorst laten hangen, steken de Kadushi’s robuust boven het landschap uit. De bewoners van Westpunt zijn er blij mee dat Kadushi Cliffs genoemd is naar deze reus onder de inheemse planten.

 

Secret Link